Tijdens de ledenvergadering van Maatschappij van Welstand op 18 juni jl. sprak PKN-scriba Kees van Ekris een lezing uit en ging daarna met de leden hierover in gesprek. Een verkorte versie verscheen in het ND van 25 juni jl. Beeld: ANP / Werry Crone
PKN-scriba Kees van Ekris: ‘Misschien is de naoorlogse kerk gebouwd op een tijd die niet meer bestaat’
Opinie – De Protestantse Kerk in Nederland verliest al dertig jaar lang ieder jaar zo’n 60.000 leden. PKN-scriba Kees van Ekris vraagt zich af: hoe leid je een organisatie als het oude nog trekt, maar het nieuwe obscuur is? ‘Het zijn riskante tijden.’
Iets is aan het voorbijgaan. In onze cultuur, in onze familielevens, in dorpen en steden, in de kerken. Ik kwam daarop door een artikel over ‘het einde van de 20e eeuwse man’, van Marja Pruis. Het ging in dat artikel vooral over de literatuur, over een type schrijver dat in de naoorlogse decennia zeer aanwezig was: erudiet, brutaal, ongeremd, grote mannen, kleine zielen, dikke boeken.
En als je zo kijkt, zie je opeens de beschrijving van een tijdsbeeld. Zo was het inderdaad, zo’n type man sprak tot de verbeelding, belichaamde de tijdsgeest, maar zo kan het niet meer, dat is voorbij. En ik dacht toen al snel ook aan de vakbond, de sociaal-democratie, de bibliotheek, het publieke bestel, onze politieke constellatie, allemaal stuk voor stuk in gevecht met iets dat aan het voorbijgaan is. En je probeert zo te plakken en te knippen dat het nog een beetje houdt, maar je zult je op een nieuwe manier moeten verhouden met een andere tijd. Dan komen overgangstijden. Het oude trekt nog, het nieuwe is obscuur, en hoe geef je dan leiding? Ik zie het ook in de twee grote kerken in ons land, de rooms-katholieke en de protestantse.
Predikanten tussen bore-out en burn-out
Ik zie het aan de grote vragen die eigenlijk al decennia ons verzwakken. De vragen van organisatie, kerkorde, afnemende bestuurskracht, beperkte representatie, onhoudbaarheid van oude gebouwen, solidariteit die moeizaam is geworden, verharding en vervreemding, regionale diversiteit.
Ik zie het bij predikanten met takenpakketten uit die voorbije tijd, met een gekke mix van bore-out en burn-out, enerzijds niet kunnen doen wat je wilt en anderzijds overladen worden met wat moet.
Ik zie het in het stelselmatig verlies van leden, in onze kerk al meer dan dertig jaar rond de 60.000 leden per jaar. De kerk als verzorgingsinstituut is op veel plekken voorbij. Ik denk dat ik het hardop moet zeggen: misschien is de naoorlogse kerk een kerk gebaseerd op een tijd die niet meer bestaat.
Erken dat je ziek kunt zijn van een verlieservaring
Leiderschap is het erkennen van de verlieservaring, woorden geven aan het feit dat je er ziek van kunt zijn dat een wereld die mij lief is verdwijnt. En zeggen dat je de heimwee-reflex van mensen begrijpt en kent, en tegelijkertijd afwijst.
Want een vitale traditie gelooft in de kracht van de oerpraktijken van die traditie ook in andere tijden. En dus zoek je naar een nieuwe verbeelding, die als een vuurkolom in de woestijn de weg wijst.
Wij kunnen slecht omgaan met verlies
Ik ben als scriba zowel geboeid door oude plekken waar trouw is en kennis en enige reserve naar de tijd, als een poging om iets te bewaren van wat overgedragen moet worden. En ik ben ook geïnteresseerd in nieuwe plekken die als een sensor de tijd aftasten en naar nieuwe gestaltes zoeken.
Ik ben kritisch op plekken, zowel oud als nieuw, die niet van elkaar en met elkaar willen leren, die geen bedding hebben van een leertraditie en een grotere leergemeenschap, oude plekken die zich afsluiten en nieuwe plekken die als een soort bengaals vuur zijn, even vlammen, maar niet leren om zich te verhouden tot de wisselwerking die de kerk kenmerkt.
Wij kunnen slecht omgaan met verlies, onzekerheid, het nog niet weten. Dat zie je in de behoefte aan harde taal en aan duidelijkheid, aan simplistische romantiseringen van het verleden en dus veel te makkelijke toekomstidealen.
Migranten weten wat verlies is: leer van hen
De schrijfster Karin Amatmoekrim heeft geschreven dat we juist daarom in dit soort tijden veel kunnen leren van migranten en van postkoloniale schrijvers. Zij die weten wat het is om een wereld te verliezen, om te moeten leren leven met meertaligheid en rafeligheid, maar die ook weten dat dat kan.
Veel mensen worden nu gegijzeld door de angst om iets te verliezen, om het eigene te verliezen, vrezend dat zijzelf met hun wereld zullen vergaan. Wij zullen moeten leren leven met veranderlijkheid.
Amatmoekrim heeft het dan over ‘de genegenheid om zich aan een nieuwe tijd aan te passen’. ‘Genegen’: bereidwillig, voorzichtig, met emotionele nabijheid. Juist als tijden veranderen zou je argwanend moeten staan tegenover verhaallijnen die de wereld als een overzichtelijk geheel presenteren, in plaats van de wereld als onaf, verwarrend, bij vlagen smerig, verbijsterend en dan vreemd genoeg met een nieuwe opening.
Weiger om je te laten dicteren door bitterheid
Overgangstijden zijn riskante tijden. De Amerikaans-Joodse schrijver David Brooks schreef over ons decennium als over ‘The Era of Dark Passions’. Hij ziet in de huidige verbeelding, in media, in politieke speeches, in omgangsvormen op scholen, met de overheid en politici, hoe de donkere passies van woede, haat, ressentiment en angst bespeeld worden.
Brooks zegt: weiger om je te laten dicteren door bitterheid, of angst, hap niet, maar wijd je aan het cultiveren van andere passies, van een ander visioen en een andere verbeelding, en laat die zien aan anderen. Dat vraagt dus gemeenschappen, liturgie, bronnen, studeren, bijbelverhalen, deugdenethiek, liefde voor je tijd.
Tante Riek uit Winterswijk
Het oude en het nieuwe kunnen elkaar versterken. U kent wellicht het verhaal van ‘Tante Riek’, Helena Kuipers-Rietberg uit Winterswijk. Zij was een actieve verzetsvrouw, zeer betrokken bij hulp aan onderduikers.
Minder bekend is dat ze voor haar netwerken gebruikmaakte van de oude diaconale netwerken van de kerk. Ze wist waar armoede was en nood, ze wist ook waar plekken waren om te schuilen en ze kon mensen activeren tot hulp aan Joodse landgenoten.
Dat is een voorbeeld van oude structuren, en oude geloofspapieren en de aanwending daarvan voor nieuwe nood. Zo kun je het diaconaat van de kerk hooghouden en tegelijkertijd innovatief in de tijd staan.
Onopgeefbare oerpraktijken
Ik denk dat dat geldt voor al de oerpraktijken van de kerk: de eredienst, de gemeenschap, de catechese, het leren en de vorming van jongeren, het gebed en de vroomheid, de amor mundi: de betrokkenheid op onze wereld en het diaconaat. Dat zijn de oerpraktijken die steeds weer onopgeefbaar blijken te zijn en relevant.
Dat zie ik wonderlijk genoeg bij de mensen met een nieuwe openheid voor geloof: daar zie ik vaak leergierigheid, de bronnen willen kennen, opgenomen willen worden in het lichaam dat de kerk is.
Wat dat betreft denk ik dat je als kerk juist ook in de digitale wereld present moet zijn. Ik hoorde Yuval Harari spreken over wat hij ‘intimicay hacking’ noemt.
Welk soort mens zijn wij aan het worden?
De technologische ontwikkeling zal niet alleen tot grootse sociale onrust leiden in de komende decennia, omdat zoveel beroepen en banen verdwijnen. Er gebeurt ook iets anders: technologie maakt de sprong naar intimiteit, ze presenteert zich als een menselijke stem, die je kent, begrijpt, coacht.
Het gaat je de pseudo-ervaring geven van gekend zijn en van geliefd zijn. De vraag zal vooral worden: welk soort mens zijn wij aan het worden? Is er weerbaarheid tegen die pseudo-ervaring, die surrogaat-ervaring?
Ik weet van sommige pioniers dat ze in allerlei digitale verbanden participeren, juist ook om te luisteren naar de ervaringen die daar gedeeld worden, speurend naar taal over zingeving, God, een droom. Mensen die snakken naar healing.
Jongeren in de rij voor een healing
Belle Tindall, de host van de podcast Re-enchanting schreef het boek The Sacred Ache. Er zit een steek van pijn in zo veel mensen naar het leven zoals het is. Er is ook een wil voelbaar tot genezing, zuivering, een andere verbeelding, liefde.
De schrijfster was op allerlei festivals en ze zag rijen jongeren staan voor tenten waar iets van dit soort healing aangeboden werd. En de ervaringen worden gedeeld op sociale media.
Widya Soraya
De influencer Widya Soraya schreef in haar posts over ervaringen met Jezus, en iemand, die christen was, een soort buddy, schreef haar en ging haar begeleiden, van de virtuele wereld naar de materiële wereld van een geloofsgemeenschap, van de doop, van het leren om jezelf te geven aan een ander in nood.
Een wereld gaat voorbij, maar een andere wereld opent zich, en als het gaat om het religieuze is er ook iets aan het opengaan.
Vijftigers met jullie bevoorrechte levens, geef toch eens wat meer
Zoals Rutger Bregman sprak over morele ambitie, zo denk ik wel eens: zouden wij in de kerk kunnen spreken over geestelijke ambitie? Er is zoveel om je heen, zou ik tegen mijn generatie willen zeggen, de vijftigers met de bevoorrechte levens, geef toch eens wat meer aan de nood van de tijd, aan de geestelijke nood van zoveel jonge mensen.
We hebben mensen nodig die anderen kunnen begeleiden op een weg van initiatie: inwijding in het werkelijke leven, het rafelige, verbijsterende van het leven, en initiatie in die kracht die je ontvangt door te leven en te sterven en Christus te volgen.